Op weg van Pasen naar Pinksteren

We zijn op weg van Pasen naar Pinksteren; van het feest van de opstanding naar ‘zelf’ opstaan en bevlogen raken door de Geest.
Maar hoe?
Het deed me denken aan mijn tijd als predikant in Indonesië, waarbij een verkoelend briesje zeer welkom was in de hitte van de tropen:
“Niet als een storm als een vloed [..] 
 
Maar als een glimp van de zon
een groene twijg in de winter,
dorstig en hard deze grond 
zo is het koninkrijk Gods.
 
Niet in het graf van voorbij
niet in een tempel van dromen
hier in ons midden is Hij
hier in de schaduw der hoop.
   
Hier in dit stervend bestaan
wordt Hij voor ons geloofwaardig
worden wij mensen van God,
liefde op leven en dood.
(LB 321a)
In Indonesië waren we gezegend met zon. Veel zon. Kerken worden daarom ook luchtig gebouwd. De deuren en ramen staan wagenwijd open. De muren zijn gemaakt van open vormen. Op een zondagmorgen lopen kinderen in en uit. Pubers en vaders zitten op de trap. De moeders en dochters zitten zwetend te wapperen met hun waaiers en liturgieën.
Als het in Nederland herfst wordt, begint onder de evenaar het warme seizoen. Met dagelijkse temperaturen boven de 30-35. Alles is droog, bruin en dor. Er zijn stofstormen. We snakten naar een regenbui en wat verkoeling. En het seizoen is best vergelijkbaar met de Nederlandse herfst of winter: In Nederland worden de bomen kaal, verdwijnt het groen en wordt de lucht donker en grijs.
Zowel in Indonesië als in Nederland zijn herfst en winter metafoor voor de herfst, winter of dorre tijd van het leven. De laatste levensdagen, of als het leven zwaar is. En juist dan, in de dorheid en donkerte, kun je snakken naar de tastbare aanwezigheid van God, naar een teken dat het goed komt, dat het zin heeft. Een glimps van licht. Een briesje van verlichting.
Niet gek dat in de lokale Indonesische cultuur hitte (panas) negatief geduid wordt en afkoelen (dingin) als positief. Zo kan een ruzie of een relatie panas (verhit). In het Nederlands kennen we dat ook: De grond wordt te heet onder je voeten. Je hebt je ergens aan gebrand.
In Indonesië geldt dat ook voor het overtreden van regels of als je een ongeluk krijgt. Een ongelukkig dood of zelfmoord wordt mati panas (een hete dood) genoemd. En dat is ook besmettelijk. Te hulp schieten in zo’n situatie is niet vanzelfsprekend. Stel je voor dat het ongeluk op jou overslaat, als vonk van een vuur. Panas is daarom taboe. Dat moet daarom eerst afgekoeld worden. Wat ziek of fout is moet geheeld worden. Dat zie je ook terug in de genezingsverhalen in het Nieuwe Testament. En dat besmettelijke, zieke mensen buiten de stad moeten blijven. Jezus  drijft geesten uit en geneest met behulp van de Geest. Het zieke, het slechte wordt uitgedreven. De wind waait alles schoon en brengt nieuw inzicht, verandering, verbetering of genezing. Niet alleen fysiek, maar vaak ook in psychisch, emotioneel en spiritueel opzicht. Het mooie is dat Timorese christenen nu, ondanks het culturele taboe, zich wel bekommeren om hun ongelukkige of zieke medemens. Christus neemt de besmetting weg. Dat is een overwinning!
Toen ik voor het eerst moest preken in de kapel van de faculteit theologie was het ook heet. En ik zweette van de zenuwen.. Voor het eerst in het Indonesisch preken..
Ik was gekleed in traditionele kleding en het was een warme bedoening. Tijdens de preek gutste het zweet langs mijn lijf. Het zweet spetterde van mijn lippen als ik sprak.
En toen was daar dat briesje.
Een heerlijk verkoelend briesje.
Afkomstig van het kruis in de wand achter mij. Niet een fysiek kruis.
Nee, een uitgespaard kruis.
Het is er niet.
En het is er toch: door het doorbrekende licht en de bries die er doorheen waait, wordt het zichtbaar, voelbaar en tastbaar!
Heilige Geest, Ruach Adonai, God met ons.
Ongrijpbaar, ontastbaar en toch aanwezig!
Hartelijke groet,
Ds. Judith van den Berg-Meelis